Słownictwo
Naucz się czasowników – niderlandzki
willen
Hij wil te veel!
chcieć
On chce zbyt wiele!
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
gonić
Matka goni za swoim synem.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
znać
Ona zna wiele książek niemal na pamięć.
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
stworzyć
On stworzył model domu.
tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!
leżeć
Tam jest zamek - leży dokładnie naprzeciwko!
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
wybaczać
Ona nigdy nie może mu tego wybaczyć!
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
przykrywać
Ona przykrywa twarz.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
zwolnić
Szef go zwolnił.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
mijać
Czas czasami mija powoli.
afhangen van
Hij is blind en is afhankelijk van hulp van buitenaf.
zależeć
Jest niewidomy i zależy od pomocy z zewnątrz.
achtervolgen
De cowboy achtervolgt de paarden.
ścigać
Kowboj ściga konie.