Słownictwo

Naucz się czasowników – niderlandzki

cms/verbs-webp/115291399.webp
willen
Hij wil te veel!
chcieć
On chce zbyt wiele!
cms/verbs-webp/65199280.webp
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
gonić
Matka goni za swoim synem.
cms/verbs-webp/120452848.webp
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
znać
Ona zna wiele książek niemal na pamięć.
cms/verbs-webp/110233879.webp
creëren
Hij heeft een model voor het huis gecreëerd.
stworzyć
On stworzył model domu.
cms/verbs-webp/119501073.webp
tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!
leżeć
Tam jest zamek - leży dokładnie naprzeciwko!
cms/verbs-webp/120509602.webp
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
wybaczać
Ona nigdy nie może mu tego wybaczyć!
cms/verbs-webp/63244437.webp
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
przykrywać
Ona przykrywa twarz.
cms/verbs-webp/96586059.webp
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
zwolnić
Szef go zwolnił.
cms/verbs-webp/90539620.webp
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
mijać
Czas czasami mija powoli.
cms/verbs-webp/117491447.webp
afhangen van
Hij is blind en is afhankelijk van hulp van buitenaf.
zależeć
Jest niewidomy i zależy od pomocy z zewnątrz.
cms/verbs-webp/3270640.webp
achtervolgen
De cowboy achtervolgt de paarden.
ścigać
Kowboj ściga konie.
cms/verbs-webp/91930542.webp
stoppen
De agente stopt de auto.
zatrzymać
Policjantka zatrzymuje samochód.