शब्दसंग्रह
क्रियापद शिका – डच
overwinnen
De atleten overwinnen de waterval.
गाळणे
माझी पत्नी नेहमी लावणी गाळते.
terugrijden
De moeder rijdt met de dochter terug naar huis.
परतविणे
आई मुलगीला घरी परतवते.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
उडत फिरणे
मुलगा खुशीने उडत फिरतोय.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
जवळ येण
गोड्या एकमेकांच्या जवळ येत आहेत.
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
आच्छादित करणे
ती भाकरीवर चिज आच्छादित केली आहे.
onderschrijven
We onderschrijven graag uw idee.
समर्थन करणे
आम्ही तुमच्या कल्पनेचा आनंदाने समर्थन करतो.
liggen
De kinderen liggen samen in het gras.
जेव्हा
मुले गवतात एकत्र जेव्हा आहेत.
updaten
Tegenwoordig moet je je kennis voortdurend updaten.
अद्ययावत करणे
आताच्या काळात, तुमच्या ज्ञानाची निरंतर अद्ययावत केली पाहिजे.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
जाळू
त्याने एक सलाय जाळली.
naar buiten rennen
Ze rent met de nieuwe schoenen naar buiten.
बाहेर पळणे
ती नव्या बुटांसह बाहेर पळते.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
ट्रेनने जाणे
मी ट्रेनने तिथे जेणार आहे.