Rječnik
Naučite glagole – nizozemski
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.
raširiti
On raširi ruke široko.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
pokriti
Lokvanji pokrivaju vodu.
weggeven
Ze geeft haar hart weg.
darovati
Ona daruje svoje srce.
betekenen
Wat betekent dit wapenschild op de vloer?
značiti
Što znači ovaj grb na podu?
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
krenuti
Kad se svjetlo promijenilo, automobili su krenuli.
volgen
De kuikens volgen altijd hun moeder.
slijediti
Pilići uvijek slijede svoju majku.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
prati suđe
Ne volim prati suđe.
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
ubiti
Pazi, s tom sjekirom možeš nekoga ubiti!
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.
pronaći ponovno
Nisam mogao pronaći svoju putovnicu nakon selidbe.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
vidjeti
S naočalama možete bolje vidjeti.
ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
primiti
U starosti prima dobru mirovinu.