אוצר מילים
למד פעלים – הולנדית
kletsen
Studenten mogen niet kletsen tijdens de les.
לשוחח
התלמידים לא אמורים לשוחח בזמן השיעור.
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
להיות צריך
צריך לשתות הרבה מים.
vooruitgang boeken
Slakken boeken alleen langzame vooruitgang.
להתקדם
השבלולים מתקדמים באיטיות בלבד.
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
הסתדר
הפעם זה לא הסתדר.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
להוכיח
הוא רוצה להוכיח נוסחה מתמטית.
openen
De kluis kan worden geopend met de geheime code.
לפתוח
הכספת יכולה להיפתח באמצעות הקוד הסודי.
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
נושאת
היא בקושי נושאת את הכאב!
wachten
We moeten nog een maand wachten.
חכה
עדיין צריך לחכות חודש.
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
נותן דבר
הפוליטיקאי נותן דבר בפני הרבה סטודנטים.
vastzitten
Ik zit vast en kan geen uitweg vinden.
תקוע
אני תקוע ואני לא מוצא דרך החוצה.
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
לצלצל
מי צלצל לדלת?