المفردات
تعلم الأفعال – الهولندية
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
يقود
الرعاة يقودون الماشية بالخيول.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
نجح
نجح الطلاب في الامتحان.
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
يذكر
الكمبيوتر يذكرني بمواعيدي.
bekend zijn met
Ze is niet bekend met elektriciteit.
عرف
ليس لديها معرفة بالكهرباء.
serveren
De ober serveert het eten.
خدم
النادل يخدم الطعام.
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.
دافع
الصديقان دائمًا يريدان الدفاع عن بعضهما البعض.
gebeuren
Vreemde dingen gebeuren in dromen.
تحدث
الأمور الغريبة تحدث في الأحلام.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
أتصلت
أخذت الهاتف وأتصلت بالرقم.
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
سمح
يجب ألا يسمح للكآبة.
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
يفك التشفير
هو يفك التشفير للكتابة الصغيرة بواسطة عدسة مكبرة.
trekken
Hij trekt de slee.
يسحب
هو يسحب الزلاجة.