Словарь

Изучите глаголы – нидерландский

cms/verbs-webp/110646130.webp
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
покрывать
Она покрыла хлеб сыром.
cms/verbs-webp/124274060.webp
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
оставлять
Она оставила мне кусок пиццы.
cms/verbs-webp/113966353.webp
serveren
De ober serveert het eten.
подавать
Официант подает еду.
cms/verbs-webp/125116470.webp
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.
доверять
Мы все доверяем друг другу.
cms/verbs-webp/96710497.webp
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.
превосходить
Киты превосходят всех животных по весу.
cms/verbs-webp/87205111.webp
overnemen
De sprinkhanen hebben de overhand genomen.
захватить
Саранча захватила все вокруг.
cms/verbs-webp/117490230.webp
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
заказывать
Она заказывает себе завтрак.
cms/verbs-webp/33599908.webp
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
служить
Собаки любят служить своим хозяевам.
cms/verbs-webp/86196611.webp
overrijden
Helaas worden er nog veel dieren overreden door auto’s.
переехать
К сожалению, многие животные до сих пор попадают под машины.
cms/verbs-webp/853759.webp
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
распродавать
Товар распродается.
cms/verbs-webp/55128549.webp
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
бросать
Он бросает мяч в корзину.
cms/verbs-webp/104167534.webp
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
иметь в собственности
У меня есть красный спортивный автомобиль.