Словарь

Изучите глаголы – нидерландский

cms/verbs-webp/50772718.webp
annuleren
Het contract is geannuleerd.
отменить
Договор был отменен.
cms/verbs-webp/55372178.webp
vooruitgang boeken
Slakken boeken alleen langzame vooruitgang.
делать прогресс
Улитки двигаются медленно.
cms/verbs-webp/112407953.webp
luisteren
Ze luistert en hoort een geluid.
слушать
Она слушает и слышит звук.
cms/verbs-webp/51573459.webp
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
подчеркивать
Вы можете хорошо подчеркнуть глаза макияжем.
cms/verbs-webp/40632289.webp
kletsen
Studenten mogen niet kletsen tijdens de les.
болтать
Студенты не должны болтать на уроке.
cms/verbs-webp/40129244.webp
uitgaan
Ze stapt uit de auto.
выходить
Она выходит из машины.
cms/verbs-webp/10206394.webp
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
выносить
Ей трудно выносить боль!
cms/verbs-webp/100585293.webp
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
развернуться
Вам нужно развернуть машину здесь.
cms/verbs-webp/74176286.webp
beschermen
De moeder beschermt haar kind.
защищать
Мать защищает своего ребенка.
cms/verbs-webp/109542274.webp
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
пускать
Следует ли пускать беженцев на границах?
cms/verbs-webp/118026524.webp
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
получать
Я могу получать очень быстрый интернет.
cms/verbs-webp/117421852.webp
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
подружиться
Эти двое подружились.