Словарь

Изучите глаголы – нидерландский

cms/verbs-webp/8482344.webp
kussen
Hij kust de baby.
целовать
Он целует ребенка.
cms/verbs-webp/100649547.webp
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
нанимать
Претендента взяли на работу.
cms/verbs-webp/61575526.webp
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
уступать
Многие старые дома должны уступить место новым.
cms/verbs-webp/65199280.webp
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
бежать за
Мать бежит за своим сыном.
cms/verbs-webp/91643527.webp
vastzitten
Ik zit vast en kan geen uitweg vinden.
застревать
Я застрял и не могу найти выход.
cms/verbs-webp/1422019.webp
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
повторять
Мой попугай может повторить мое имя.
cms/verbs-webp/32312845.webp
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
исключать
Группа его исключает.
cms/verbs-webp/75281875.webp
zorgen voor
Onze conciërge zorgt voor de sneeuwruiming.
заботиться
Наш дворник занимается уборкой снега.
cms/verbs-webp/123947269.webp
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
контролировать
Здесь все контролируется камерами.
cms/verbs-webp/93031355.webp
durven
Ik durf niet in het water te springen.
осмеливаться
Я не осмеливаюсь прыгнуть в воду.
cms/verbs-webp/112444566.webp
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
говорить
С ним нужно поговорить; ему так одиноко.
cms/verbs-webp/119289508.webp
houden
Je mag het geld houden.
оставлять
Вы можете оставить деньги.