Словарь

Изучите глаголы – нидерландский

cms/verbs-webp/67095816.webp
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
съезжаться
Двое планируют скоро съезжаться.
cms/verbs-webp/94193521.webp
draaien
Je mag naar links draaien.
поворачивать
Вы можете повернуть налево.
cms/verbs-webp/96571673.webp
schilderen
Hij schildert de muur wit.
красить
Он красит стену в белый цвет.
cms/verbs-webp/118011740.webp
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
строить
Дети строят высокую башню.
cms/verbs-webp/122153910.webp
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
делить
Они делят домашние дела между собой.
cms/verbs-webp/117421852.webp
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
подружиться
Эти двое подружились.
cms/verbs-webp/55788145.webp
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
закрывать
Ребенок закрывает уши.
cms/verbs-webp/55119061.webp
beginnen met rennen
De atleet staat op het punt om te beginnen met rennen.
начинать бег
Атлет собирается начать бег.
cms/verbs-webp/47802599.webp
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.
предпочитать
Многие дети предпочитают конфеты здоровой пище.
cms/verbs-webp/122632517.webp
misgaan
Alles gaat vandaag mis!
идти наперекосяк
Сегодня всё идёт наперекосяк!
cms/verbs-webp/77581051.webp
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
предлагать
Что вы предлагаете мне за мою рыбу?
cms/verbs-webp/5161747.webp
verwijderen
De graafmachine verwijdert de grond.
удалять
Экскаватор убирает землю.